In januari 2001 – ik was toen 32 jaar – verliet ik Afghanistan, samen met onze dochter van drie. We zijn naar Nederland gegaan. Na anderhalf jaar kwam ook mijn man hier naartoe.
In 2003 zijn we op straat gezet, omdat ik en onze dochter uitgeprocedeerd waren. Ik was toen net in verwachting van ons tweede kind. Mijn man zat nog in de procedure, maar we hebben toch besloten met z’n allen weg te gaan.
We zijn naar Noorwegen gereisd samen met een ander Afghaans gezin. Daar hebben we onze situatie uitgelegd en asiel aangevraagd. In Noorwegen werd verteld dat we welkom waren.
In Noorwegen werd onze zoon geboren. Na acht maanden kregen we te horen dat we terug moesten naar Nederland, omdat men toen wist dat we daar vandaan kwamen. Het andere gezin mocht in Noorwegen blijven. In de zomer van 2007 heeft de IND – vanwege de pardonregeling – de Voorlopige Voorziening toegewezen.
We hadden weer hoop. Ik raakte opnieuw zwanger. In het asielzoekerscentrum waar we wonen, hebben we veel contact met andere gezinnen. De kinderen gaan naar school. De gemeente zet zich niet voor ons in. Wel hebben we steun van het Interkerkelijk Platform Kerk en Vluchteling.
Uiteindelijk heeft de IND ons wederom verteld dat we Nederland moeten verlaten. Ook onze poging om als schrijnend geval in aanmerking te komen, pakte negatief uit. We zijn in gespannen afwachting van de uitkomst van de inmiddels gestarte bezwaarprocedure. Terugkeer naar Afghanistan is voor ons geen optie vanwege de aanwezigheid van de Taliban. In mei 2008 is onze tweede dochter, baby van hoop geboren.
|