| Somber toekomstperspectief voor illegale kinderen |
|
Telegraaf/Vluchtelingenwerk 10 februari 2004
Het rapport Ik ben er wel, maar ze zien me niet beschrijft ervaringen
van 'illegale' kinderen in Nederland en hun pogingen om zoveel mogelijk een
'gewoon' kinderleven te leiden.
Verder hebben 'illegale' kinderen in Nederland nauwelijks toegang tot de gezondheidszorg en ondersteunt de overheid hen slecht op het gebied van huisvesting, voedsel en kleding. Het rapport concludeert dat de Nederlandse overheid op het gebied van de zorg voor kinderen in de illegaliteit tekortschiet in het uitvoeren van het 'Verdrag inzake de Rechten van het Kind' van de Verenigde Naties, dat ook door Nederland is geratificeerd. In het rapport worden de ervaringen van illegale kinderen van hun huidige leefsituatie beschreven en hun pogingen zoveel mogelijk een gewoon kinderleven te leiden. In 1999 heeft het DCI dat ook gedaan vanuit de hoek van de hulpverlening. Het DCI concludeert dat in vier jaar tijd, 'illegale' kinderen wel meer in de publieke belangstelling staan, maar dat hun positie in Nederland amper is verbeterd. Volgens de organisatie zijn de kinderen de dupe van het 'conflict' dat hun ouders met de Nederlandse overheid hebben. Het DCI vindt dat de overheid minderjarige 'illegalen' ook als onafhankelijke gevallen in het kader van het 'Verdrag inzake de Rechten van het Kind' moet behandelen. Voor het rapport heeft onderzoekster drs. K. Braat 55 kinderen en jongeren tussen de 9 en 21 jaar, veertig ouders en tachtig contactpersonen van de kinderen geïnterviewd over onder meer hun komst naar Nederland, hun woonsituatie, het onderwijs, hun gezondheid en hun vrijetijdsbesteding. Het gaat vooral om kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers en kinderen van illegale arbeidsmigranten. De belangrijkste knelpunten in het leven van een minderjarige 'illegaal' zijn de voortdurend veranderende huisvesting en schoolsituatie, het ontbreken van een toekomstperspectief, omdat de angst voor uitzetting er altijd is, de achtergesteldheid van hun juridische en politieke rechten en een beperkte toegang tot de gezondheidszorg. Volgens het DCI leiden bovenstaande knelpunten tot een negatief toekomstperspectief, maar ook tot psychosociale problemen onder de ondervraagde kinderen. Ondanks het feit dat de meeste jongeren te kampen hebben met zulke problemen, merken de onderzoekers een enorme veerkracht bij een groot deel van hen. Het blijkt dat zij alles op alles zetten om een zo gewoon mogelijk leven te leiden. Ze willen niet afwijken van andere kinderen in Nederland. Vooral de school speelt hierin een belangrijke factor. De meeste ondervraagde kinderen zien hun toekomst dan ook in Nederland en niet in het land van herkomst. Het onderzoek is onderdeel van het onderzoeksproject 'Kinderen zonder Status', waar DCI in 1998 mee is begonnen. Daarin wordt de leefsituatie van kinderen in Nederland zonder verblijfsgunning getoetst aan het 'Verdrag inzake de Rechten van het Kind'. Het rapport is bestemd voor hulpverlenende instanties die te maken kunnen krijgen met 'illegale' kinderen en hun ouders en voor ambtenaren die beslissingen moeten nemen die ingrijpen in het leven van 'illegale' kinderen. DCI is een internationale kinderrechtenorganisatie die werd opgericht in 1979, het Internationale Jaar van het Kind. Dit rapport wordt door een delegatie onder leiding van Defence for Children International op dinsdag 10 februari om 13.45 uur aangeboden aan de Vaste Commissie van Justitie van Tweede Kamer.Het rapport wordt aansluitend gepresenteerd aan de pers en het 'veld' in een bijeenkomst in Perscentrum Nieuwspoort, Lange Poten 10 te Den Haag van 14.15-15.30 uur. Het programma van deze presentatie is volgt:
|